Verrekening van voordeel bij de arbeidsongeschiktheidsverzekering: bij Schade

    Aanvankelijk was de lijn in de jurisprudentie helder: in
    geval van letselschade mochten uitkeringen uit sommenverzekeringen,
    in tegenstelling tot uitkeringen uit schadeverzekeringen,
    niet verrekend worden met de aan de
    gelaedeerde uit te keren schadevergoeding. Hoewel uit de
    parlementaire behandeling4 van art. 6:100 BW blijkt dat
    van dat standpunt enige afstand is genomen, spitste de
    discussie in de rechtspraak zich in beginsel vooral toe op
    de vraag of een arbeidsongeschiktheidsverzekering een
    schade- dan wel sommenverzekering is. Omdat het karakter
    van een arbeidsongeschiktheidsverzekering veelal niet
    eenduidig is, is het antwoord op die vraag niet te geven,
    maar hangt de beoordeling van het karakter van een dergelijke
    verzekering af van de feiten en omstandigheden
    van het geval. De Hoge Raad betitelde in 20035 de arbeidsongeschiktheidsverzekering
    nog als schadeverzekering en
    had daarmee het daarvoor geldende uitgangspunt verlaten.
    Toch kan (weer) als uitgangspunt worden genomen
    dat de ‘klassieke arbeidsongeschiktheidsverzekering' - de
    verzekering die tot doel heeft een periodieke uitkering te
    verlenen bij verlies van arbeidsvermogen van de verzekerde
    ten gevolge van zijn arbeidsongeschiktheid, waarbij de
    hoogte van zijn inkomen geen rol speelt - te kwalificeren
    is als een sommenverzekering. De Hoge Raad heeft in zijn
    arrest van 3 oktober 20086 aan de hand van de in die uitspraak
    geformuleerde criteria, de vraag of de klassieke
    arbeidsongeschiktheidsverzekering als sommenverzekering
    te gelden heeft, bevestigend beantwoord. Echter, met
    beantwoording van het vraagstuk wat betreft het rechtskarakter
    van de (klassieke) arbeidsongeschiktheidsverzekering
    is de vraag naar de mogelijkheid van voordeelsverrekening
    in geval van uitkeringen krachtens een dergelijke
    arbeidsongeschiktheidsverzekering, nog niet onomwonden
    beantwoord. Eerder al werd zowel in de parlementaire
    behandeling7 als in de (lagere) rechtspraak8 voor die
    mogelijkheid de deur open gezet. De vraag of dat na de
    uitspraak van de Hoge Raad van 1 oktober 20109 het geval
    zou blijven, hield de rechtspraak sindsdien bezig. Wellicht
    is met de twee op elkaar volgende uitspraken van de
    Rechtbank Den Haag10 de koers bepaald.
    Lijn in de jurisprudentie
    Ofschoon de Hoge Raad in 196911 oordeelde dat in geval
    van sommenverzekeringen voordeelsverrekening niet aan
    de orde was, oordeelde de Rechtbank Arnhem in 200612
    anders. In de zaak die de Rechtbank Arnhem werd voorgelegd
    deed zich het geval voor dat een gelaedeerde die
    betrokken was geraakt bij een verkeersongeval van Univé
    (als WAM-verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval)
    schade-uitkeringen ontving. Tevens verkreeg de gelaedeerde,
    omdat zij door het ongeval arbeidsongeschikt was
    geworden, uitkeringen uit hoofde van een door haar afgesloten
    arbeidsongeschiktheidsverzekering. Aan de rechtbank
    werd de vraag voorgelegd of in een dergelijk geval de
    uitkeringen die de gelaedeerde ontving op basis van de
    arbeidsongeschiktheidsverzekering verrekend mochten
    worden met de schade-uitkeringen. De rechtbank overwoog
    te dien aanzien als volgt: "Hoewel strikt genomen
    Mevrouw mr. L. van den
    Ham-Leerkes
    Nysingh Advocaten
    9
    PIV-Bulletin / november 2012
    sprake is van een sommenververzekering, heeft zij wel degelijk
    de strekking de inkomensschade van [eiseres] bij arbeidsongeschiktheid
    te vergoeden. Naar het oordeel van de rechtbank
    kan het afsluiten van een dergelijke verzekering niet
    worden gezien als een ‘zuiver individuele en persoonlijke
    beslissing', met de strekking de verzekerde een som uit te
    keren in geval het verzekerde risico zich verwezenlijkt,
    bedoeld om hem bijvoorbeeld een extraatje te verschaffen.
    Voordeelsverrekening op basis van artikel 6:100 BW is dus op
    zijn plaats."
    Tot eenzelfde oordeel kwam zowel het Gerechtshof
    Arnhem als het Gerechtshof Amsterdam op 4 november
    200813. Op deze dag wezen beide hoven arrest over de verrekening
    van een uitkering uit hoofde van een particuliere
    arbeidsongeschiktheidsverzekering bij letselschade. Het
    Hof Arnhem en het Hof Amsterdam kwamen - beide echter
    via een andere weg - tot de slotsom dat de uitkeringen
    uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering in
    mindering mochten worden gebracht op de schadevergoeding
    die de aansprakelijke partij moest betalen. In de zaak
    die ter beoordeling aan het Hof Amsterdam voorlag deed
    zich het geval voor dat een fout tijdens een hartoperatie
    leidde tot een infarct bij de patiënt met blijvend neurologisch
    letsel en arbeidsongeschiktheid tot gevolg. De aansprakelijkheid
    werd erkend en het ziekenhuis ging over tot
    het betalen van voorschotten op de schadevergoeding. De
    patiënt ontving daarnaast uitkeringen uit hoofde van zijn
    arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het ziekenhuis
    betoogde daaropvolgend dat die uitkeringen de schade
    van de patiënt deden verminderen zodat de verzekeringsuitkeringen
    in mindering moesten worden gebracht op de
    door haar te betalen schadevergoeding. Het Hof
    Amsterdam volgde het ziekenhuis in haar redenering.
    In het licht van het arrest van de Hoge Raad van 3
    (en 1714) oktober 2008, is het opmerkelijk dat het Hof
    Amsterdam oordeelde dat onderhavige arbeidsongeschiktheidsverzekering
    als schadeverzekering moest worden aangemerkt,
    waarvan "niet in geschil is dat uitkeringen krachtens
    schadeverzekeringen de schade doen verminderen en
    daarmee de aanspraak van de gelaedeerde op de laedens in
    zoverre tenietdoen. Dat betekent dat het hof aan beoordeling
    van hetgeen (benadeelde) heeft aangevoerd in het kader van
    de in art. 6:100 BW bedoelde redelijkheidstoets niet toekomt."
    Wervelman15 merkt over de uitspraak van het Hof
    Amsterdam op dat "ofschoon op zichzelf wel de vraag rijst
    of het arrest van het Hof Amsterdam in cassatie stand zou
    hebben gehouden gelet op de arresten van de Hoge Raad van
    3 en 17 oktober 2008 waarin hij de daar in het geding zijnde
    AOV beide keren aanmerkte als sommenverzekering, is er tot
    zover - voor wat betreft de voordeelsverrekening - niet zo
    heel veel nieuws onder de zon." Het Hof Arnhem komt
    evenwel tot dezelfde slotsom als het Hof Amsterdam, maar
    overweegt anders. Net als de Rechtbank Arnhem in 2006
    verlaat ook het Hof Arnhem het uitgangspunt dat alleen
    in geval van uitkeringen uit hoofde van een schadeverzekering
    verrekening van voordeel aan de orde is. Het Hof
    Arnhem maakt gebruik van de ruimte die art. 6:100 BW
    biedt om de door de gelaedeerde genoten arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
    bij wijze van opgekomen voordeel
    te verrekenen met de door de WA-verzekeraar betaalde
    schade-uitkeringen. Het hof laat daarbij echter in het
    midden wat het rechtskarakter van een dergelijke arbeidsongeschiktheidsverzekering
    is. Daartoe acht het hof
    redengevend
    dat "zelfs als het een sommenverzekering
    betreft, het in de gegeven omstandigheden redelijk is de uit
    deze verzekering volgende uitkering als door [benadeelde]
    genoten voordeel in mindering te laten strekken op de door
    Achmea te betalen vergoeding, nu het hier gaat om een periodieke
    uitkering die op grond van de hiervoor onder 5.7
    omschreven kenmerken moet worden aangemerkt als een
    vergoeding voor inkomensschade."
    Met beide arresten is echter - vooral vanwege de verschillende
    benaderingswijze - nog geen eenduidig antwoord
    gekomen op de vraag of uitkeringen uit hoofde van een
    (klassieke) arbeidsongeschiktheidsverzekering in mindering
    behoren te komen op de schade die door de aansprakelijke
    partij wordt uitgekeerd. Wervelman16 heeft zich
    dan ook afgevraagd welke koers zal worden gevaren na het
    wijzen van het arrest van het Hof Arnhem van 4 november
    2008. In ieder geval geeft hij aan: "Eerlijk gezegd zou
    het mij niet verbazen als de door het Hof Arnhem ingeslagen
    weg bijval gaat vinden. (...) In de situatie dat het dan - in de
    woorden van het Hof Arnhem in zijn arrest van 4 november
    2008 - gaat om vergoeding van inkomensschade, ligt het
    mijns inziens inderdaad voor de hand die uitkering in mindering
    te brengen op het gevorderde verlies van arbeidsvermogen."
    Volgens Wervelman echter wel "in die zin dat verrekening
    in beginsel niet aan de orde is bij uitkeringen uit
    hoofde van een verzekering waarbij het "onverschillig is of,
    en in hoeverre, met de uitkering schade wordt vergoed", zoals
    art. 7:964 BW de sommenverzekering omschrijft." Daarbij is
    het volgens Wervelman niet van belang wie de desbetreffende
    verzekering heeft afgesloten, omdat het gaat om de
    vraag wat met de bewuste uitkering beoogd is.
    Hoge Raad 1 oktober 2010
    Ruim een half jaar na het verschijnen van het artikel van
    Wervelman in TVP 2010, nr. 117 heeft de Hoge Raad in
    zijn arrest van 1 oktober 201018 (opnieuw) uitsluitsel gegeven
    over de vraag of voordeelsverrekening bij sommenverzekeringen
    mogelijk is. Oordeelde de Hoge Raad in zijn
    arrest van 28 november 196919 nog dat uitkeringen uit
    hoofde van sommenverzekeringen bij de vergoeding van
    letselschade niet mogen worden verrekend, in zijn arrest
    van 1 oktober 2010 (dat overigens betrekking had op een
    collectieve ongevallenverzekering) verlaat de Hoge Raad
    dat uitgangspunt. In meer algemene zin formuleert de
    Hoge Raad zes gezichtspunten aan de hand waarvan de
    vraag of voordeelsverrekening in geval van uitkeringen
    krachtens sommenverzekering aan de orde is beantwoord
    moet worden en biedt hij de rechter meer vrijheid om te
    beoordelen of verrekening in een concreet geval redelijk is
    of niet. Kort gezegd dient volgens de Hoge Raad in geval
    van letselschade en voordeel dat bestaat uit een verzekeringsuitkering,
    bij toepassing van art. 6:100 BW de volgende
    criteria in aanmerking te worden genomen:
    (a) van verrekening zal over het algemeen alleen dan sprake >
    PIV-Bulletin / november 2012
    10
    kunnen zijn, indien de uitkering ertoe strekt dezelfde
    schade te vergoeden als die waarvoor de partij die zich
    op de voordeelsverrekening beroept, aansprakelijk is;
    (b) geschiedt de uitkering ingevolge een schadeverzekering,
    dan zal verrekening in beginsel op haar plaats
    zijn;
    (c) geschiedt de uitkering op grond van een sommenverzekering
    die door de benadeelde zelf (of door een
    ander, buiten de sfeer van de aansprakelijke persoon)
    is gesloten en betaald, dan komt verrekening in het
    algemeen niet in aanmerking;
    (d) is de premie voor de sommenverzekering door de
    aansprakelijke persoon betaald, dan kan daarin aanleiding
    worden gevonden wel tot verrekening over te
    gaan, vooral indien jegens de benadeelde geen verplichting
    bestond tot het sluiten van de verzekering of
    tot betaling van de premie;
    (e) is de aansprakelijkheid gedekt door een verzekering,
    dan zal verrekening van een uitkering ingevolge een
    sommenverzekering in het algemeen niet in overeenstemming
    met de redelijkheid zijn; en
    (f) voor verrekening bestaat in het algemeen eerder aanleiding
    indien sprake is van een risicoaansprakelijkheid
    dan wanneer de aansprakelijkheid is gebaseerd op
    schuld. Voorts kan de rechter betekenis toekennen aan
    de mate van verwijtbaarheid in die zin dat voor verrekening
    eerder grond bestaat naarmate de aansprakelijke
    persoon minder verwijt van het schade brengende
    feit kan worden gemaakt.
    Hoewel de Hoge Raad met deze zes gezichtspunten handvatten
    heeft aangereikt voor beantwoording van de vraag
    wanneer in geval van een sommenverzekering voordeel
    verrekend mag worden, geven de geformuleerde gezichtspunten
    nog geen eenduidig antwoord op de vraag of uitkeringen
    uit hoofde van een klassieke arbeidsongeschiktheidsverzekering
    in geval van letsel verrekend mogen
    worden met de uit te keren schadevergoeding. Met name
    door de woorden ‘in beginsel' en ‘in het algemeen' die de
    Hoge Raad veelvuldig hanteert bij de geformuleerde
    richtlijnen, bestaat er genoeg ruimte voor discussie daarover.
    Bolt20 lijkt vooralsnog weinig ruimte te zien voor
    verrekening en merkt op: "voor uitkeringen uit sommenverzekering
    stelt de Hoge Raad zich in de volgende richtlijnen
    zo terughoudend op dat het nauwelijks voorstelbaar is
    dat ze ook voor toerekening in aanmerking kunnen komen
    als ze er niet toe strekken om de ontstane schade goed te
    maken." Bolt stelt concluderend dat "de mogelijkheden om
    uitkeringen uit sommenverzekeringen toe te rekenen wel
    eens minder ver kunnen gaan dan in een deel van de lagere
    rechtspraak werd aangenomen." Wervelman21, in zelfde zin
    maar optimistischer, stelt dat de Hoge Raad met zijn
    arrest van 1 oktober 2010 de deur openzet voor verrekening
    in geval van sommenverzekeringen. Volgens
    Wervelman betreffen het dan vooral gevallen waarin sprake
    is van "periodieke uitkeringen die als inkomensschade
    kunnen worden gezien", waarbij hij opmerkt dat het vooral
    uit wethistorisch oogpunt te bepleiten is "dat een uitkering
    uit hoofde van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering,
    met een karakter om in enigerlei opzicht inkomensschade
    te vergoeden, in mindering mag worden
    gebracht op het van de aansprakelijke partij gevorderde verlies
    van arbeidsvermogen." Dat is dan overigens ook direct
    de begrenzing die Wervelman wil aangeven. In het PIVBulletin
    van december 201022 merkt hij echter wel op dat
    de klassieke variant van de particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering
    doorgaans wordt afgesloten door een
    zelfstandige, die zelf zijn premie voldoet. In die situatie,
    waarin kan worden aangenomen dat het gaat om een ‘zuiver
    individuele en persoonlijke beslissing, komt gelet op
    het derde gezichtspunt verrekening dan dus in het algemeen
    niet aan de orde, aldus Wervelman. In hoeverre de
    (lagere) rechter bij zijn afweging daaraan bijzonder
    gewicht toekent is de vraag, maar geldt evenzeer voor het
    vijfde gezichtspunt, dat verrekening in beginsel niet redelijk
    acht in het geval dat de aansprakelijkheid gedekt is
    door verzekering. Mijns inziens terecht vraagt Bolt23 zich
    van dat punt af "of daarmee aan het al dan niet verzekerd
    zijn van de aansprakelijke persoon niet een te vergaande
    invloed op de vaststelling van de schadevergoeding wordt
    toegekend." De enkele grond dat de aansprakelijke persoon
    verzekerd is, zou de vraag of verrekening toegestaan is volgens
    Bolt niet van bevestigend naar ontkennend moeten
    laten doorslaan. Volgens Bolt is immers helder "dat de
    positie van de benadeelde door het verzekerd zijn van de
    schade aan de kant van de aansprakelijke persoon geen wijziging
    ondergaat." De Hoge Raad daarentegen meent dat
    profijt van de aansprakelijkheidsverzekeraar in beginsel
    niet aan de orde kan zijn. Omdat in veel gevallen de aansprakelijkheid
    gedekt zal zijn door een verzekering, zal bij
    strikte toepassing van de vijfde richtlijn door de rechter
    daardoor de voordeelsverrekening in geval van een sommenverzekering
    mogelijkerwijs beperkt blijven tot een
    gering aantal gevallen. Of dit koudwatervrees is of een
    terechte voorspellende gedachte, zal de (lagere) rechtspraak,
    met de zes gezichtspunten in de hand, moeten
    uitwijzen.
    Rechtbank Den Haag 6 juli 2012
    De Rechtbank Den Haag heeft onlangs het antwoord
    gegeven op de vraag of de rechtspraak met de door de
    Hoge Raad in 2010 geformuleerde criteria ruimte ziet
    voor verrekening van voordeel in het geval van uitkering
    uit hoofde van een klassieke arbeidsongeschiktheidsverzekering.
    In twee zaken24 die voor wat betreft het feitencomplex
    veel verwantschap vertoonden oordeelde de
    Rechtbank Den Haag dat de uitkeringen uit hoofde van de
    (klassieke) arbeidsongeschiktheidsverzekering die de
    benadeelde had ontvangen, in mindering mochten worden
    gebracht op de schadevergoeding die de WAMverzekeraar
    diende uit te keren.
    In de zaak die leidde tot de uitspraak van 6 juli 2012 was
    sprake van een zelfstandig onderneemster die uit hoofde
    van een door haar afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering
    vaste maandelijkse termijnen kreeg uitgekeerd,
    nadat zij door een ongeval volledig arbeidsongeschikt was
    geraakt. Achmea, WAM-verzekeraar van de aansprakelijke
    >
    11
    PIV-Bulletin / november 2012
    >
    partij, keerde (in verband met een eigen schuld percentage
    van 25%) 75% van de schade uit. De vraag die voorlag
    was of Achmea de uitkeringen uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering
    in mindering mocht brengen
    op de door haar uit te keren schade. Hoewel de rechtbank
    - in lijn met de uitspraak van de Hoge Raad van 3 en
    17 oktober 200825 - de arbeidsongeschiktheidsverzekering
    kwalificeert als een sommenverzekering is de rechtbank
    van oordeel dat de uitkering uit hoofde van die arbeidsongeschiktheidsverzekering
    strekt tot vergoeding van
    inkomensschade, zodat verrekening redelijk is. De rechtbank
    overweegt daartoe als volgt: "Uit het arrest van de
    Hoge Raad van 1 oktober 2010 (...) komt naar voren dat
    verrekening in het algemeen aan de orde kan zijn wanneer
    dezelfde schade wordt vergoed, als die waarvoor de partij die
    zich op de voordeelsverrekening beroept aansprakelijk is.
    Terughoudendheid dient alleen te worden betracht in gevallen
    waarin schade is verzekerd, die rechtens of in de praktijk
    niet voor volledige vergoeding in aanmerking komt. De
    rechtbank is van oordeel dat de uitkering uit hoofde van de
    AOV strekt tot vergoeding van inkomensschade. (...) Derving
    van inkomen is schade die rechtens voor volledige vergoeding
    in aanmerking komt en derhalve geen componenten bevat
    die pleiten voor terughoudendheid in het kader van de verrekening.
    (...) Nu aan de randvoorwaarden voor verrekening
    is voldaan, dient te worden beoordeeld of de onderhavige
    uitkering voor verrekening (...) in aanmerking komt, waarbij
    de rechtbank eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad tot
    uitgangspunt neemt. (...) De rechtbank is (...) van oordeel
    dat het in het onderhavige geval redelijk is om tot verrekening
    over te gaan. De rechtbank neemt daarbij in overweging
    dat sprake is van een arbeidsongeschiktheidsverzekering
    die voorziet in en periodieke uitkering die strekt tot vergoeding
    van inkomensschade (...), welke inkomensschade in het
    onderhavige geval ook daadwerkelijk (...) is geleden. Tevens
    hecht de rechtbank belang aan het feit dat de wetgever bij de
    beantwoording van de vraag of verrekening op zijn plaats is
    als een factor van bijzonder gewicht heeft aangemerkt de
    mate waarin de betrokken sommenverzekering voorziet in
    een periodieke uitkering ter compensatie van inkomstenderving."
    De rechtbank kiest er aldus niet voor de zes gezichtspunten
    één voor één na te lopen en haar afweging op basis
    daarvan nader toe te lichten. De rechtbank acht voor haar
    oordeel dat voordeelsverrekening redelijk is kennelijk van
    doorslaggevend belang dat, hoewel sprake is van een sommenverzekering
    en geen schadeverzekering, deze verzekering
    voorziet in een periodieke uitkering die strekt tot vergoeding
    van inkomensschade. Merkte Bolt26 eerder nog op
    dat de Hoge Raad niet voor niets voorop heeft gesteld dat
    uitkeringen uit sommenverzekeringen die van de zijde van
    de benadeelde zijn afgesloten niet voor toerekening in
    aanmerking kwamen, in onderhavige kwestie achtte de
    rechtbank dat gegeven blijkbaar van ondergeschikt belang.
    De rechtbank wijdt daar in het geheel geen overweging
    aan. Dat geldt evenzeer voor het vijfde gezichtspunt, waarvan
    Bolt aangaf dat mogelijk teveel gewicht zou worden
    toegekend aan het al dan niet verzekerd zijn van de aansprakelijke
    partij. Ook aan dat punt hecht de rechtbank
    blijkbaar niet veel waarde en laat zij onbesproken. Dat in
    onderhavige kwestie sprake was van een schuldaansprakelijkheid
    en geen risicoaansprakelijkheid maakte haar oordeel
    evenmin anders. De rechtbank heeft de zes gezichtspunten
    niet onafhankelijk van elkaar tegen het licht
    gehouden, maar heeft aan de strekking van onderhavige
    verzekering bijzonder gewicht toegekend. Zoals Rijnhout27
    ook al aangaf is een oordeel over de redelijkheid "geen
    kwestie van afvinken, maar van argumenteren en (uiteindelijk)
    beslissen welk argument doorslaggevend is. Helder moet
    zijn welke weging heeft plaatsgevonden en aan welke
    omstandigheid meer of zelfs doorslaggevende betekenis wordt
    toegekend." In die lijn heeft de rechtbank ook geoordeeld
    en haar afweging gemotiveerd.
    Overigens komt de rechtbank niet toe aan een oordeel
    over de verrekening van de door de benadeelde betaalde
    premies, maar merkt de rechtbank daarvan wel op "dat de
    Hoge Raad in voornoemd arrest uitdrukkelijk op het oog
    heeft de premies die "in de loop der tijd" voor de verzekering
    zijn betaald." Wat de rechtbank (met verwijzing naar de
    Hoge Raad) bedoelt met ‘in de loop der tijd' wordt niet
    duidelijk. De Rechtbank Arnhem oordeelde in 2006 dat
    alleen de betaalde premie over het jaar waarin het ongeval
    zich heeft voorgedaan van het voordeel moest worden
    afgetrokken. Daarentegen was het Hof Amsterdam28 van
    oordeel dat de betaalde premie niet in mindering strekte
    op het verrekende voordeel, omdat de benadeelde die premies
    ook zou hebben betaald indien de kunstfout zich
    niet had voorgedaan. Mijns inziens is het redelijk (een
    deel van) de betaalde premie te verrekenen - de aansprakelijkheidsverzekeraar
    heeft daar in zekere zin immers ook
    het profijt van - maar dient wel een rol te spelen dat voor
    de betaalde premie ook risico voor de benadeelde is afgedicht
    waardoor de premie (ook in het verleden) niet voor
    niets is betaald. Om die reden zou mijns inziens een grens
    kunnen worden gesteld aan de premie die op het verrekende
    voordeel in mindering moet worden gebracht. Of
    dat beperkt moet blijven tot enkel de premie die in het
    schadelijdende jaar is betaald, zal de rechter moeten
    beoordelen. De Hoge Raad lijkt met de aanduiding "in de
    loop der tijd" meer te bedoelen dan alleen het jaar van het
    ongeval en daarmee niet de lijn die de Rechtbank Arnhem
    in 2006 heeft uitgezet, te volgen. Alhoewel elke grens een
    arbitrair karakter draagt, zou ik menen dat de redelijkheid
    behoort mee te brengen dat de betaalde premie over een
    periode van meer dan vijf jaar voor het ongeval in elk
    geval niet in mindering komt op het verrekende voordeel,
    waarbij voorts geldt dat indien ook een ander risico zich
    heeft verwezenlijkt de in dat verband betaalde premie
    evenmin in mindering kan worden gebracht.
    In dit verband is overigens ook vermeldenswaardig dat de
    rechtbank op het genoten voordeel (dat verrekend mag
    worden) in mindering brengt het deel van de schade dat
    vanwege eigen schuld van de benadeelde door de aansprakelijkheidsverzekeraar
    niet wordt gedekt. Dat doet volgens
    de rechtbank recht aan het door de Hoge Raad geventi
    leerde uitgangspunt "dat de aansprakelijke persoon niet het
    profijt mag hebben van een door of ten behoeve van de
    benadeelde afgesloten verzekering, zolang een deel van de
    schade waarvoor die verzekering beoogd een uitkering te
    verstrekken, niet is vergoed."
    Al met al (in meerdere opzichten) een uitspraak die wat
    betreft voordeelverrekening bij de klassieke arbeidsongeschiktheidsverzekering,
    met de gezichtspunten van de
    Hoge Raad in het achterhoofd, van belang is voor de
    rechtspraktijk en wel eens de toon kan hebben gezet

     

     


    Bron: PIV-Bulletin / november 2012